| wo mei 30 @19:15 - 09:30 Wat komt er op ons af |
| di juni 05 @19:15 - 09:30 Wat komt er op ons af |
| vr juni 08 @13:00 - 05:00 Informatiemiddag voor familiementoren, -bewindvoerders en -curatoren |
De Prader-Willi/Angelman Vereniging heeft een mijlpaal bereikt nu ze 25 jaar bestaat. Vaak is het goed ook eens terug te kijken om te zien wat het heeft opgeleverd. Ten slotte leren we van onze geschiedenis, en is onze toekomst in het verleden te lezen. Als begin jaren 80 je kind Prader-Willi syndroom had, was de kans het grootst dat je dat simpelweg niet wist, omdat de diagnose niet gesteld was. Bij de enkeling bij wie dat wel gebeurde betekende het niet zoveel want wat er dan verder kon gebeuren of wat er gedaan moest worden wist niemand. Er was nog geen Google of Wikipedia, er was zelfs nog helemaal geen internet.
In 1981 had David Ledbetter ontdekt dat bij mensen met Prader-Willi syndroom geregeld een kleine afwijking aan chromosoom 15 gevonden kon worden: je moest goed kijken maar dan kon je zien dat er een stukje ontbrak. Ik kan me herinneren dat we soms met drie of vier genetici naar de chromosomen onder de microscoop keken: ontbreekt het stukje nu wel of niet? Na de diagnose was er medische informatie, maar erg beperkt, alleen voor dokters geschreven, en alleen over enkele lichamelijke kenmerken zoals de lage spierspanning of het overgewicht.
Toen ontwikkelden zich twee dingen tegelijkertijd. Artsen realiseerden zich dat dit niet goed ging. Vooral door werk van de kinderarts Ben Ter Haar werd eind 70er jaren het specialisme Klinische Genetica ingericht, en dat begon sterk te groeien. De belangstelling voor het herkennen en kennen van de vele syndromen nam sterk toe. Maar ook de ouders vonden dat het zo niet meer kon. Via oproepen in tijdschriften of televisieprogramma’s zoals Vinger aan de Pols, via korte syndroom beschrijvingen (soms met een enkele foto erbij) die rondgestuurd werden naar de kinderziekenhuizen en grotere instellingen, lukte het ouders om met elkaar in contact te komen en verenigingen op te zetten. De VSOP en Federatie van Ouderverenigingen, met Tamara Stranders en Mieke van Leeuwen, hielpen daarbij. In 1989 werd door Bob Nicholls gevonden dat Prader-Willi syndroom soms ook verklaard kon worden door een uniparentele disomie. Twee chromosomen 15 van één ouder: we vonden het ongehoord, het ging tegen onze meest basale wet van Mendel in. Vlak ervoor suggereerde Ellen Magenis voor het eerst dat de verandering aan chromosoom 15 niet alleen bij Prader- Willi- maar ook bij Angelman syndroom voorkwam.
Van Angelman syndroom wisten we toen echt nog veel minder dan van Prader-Willi syndroom. Na de eerste publicatie door Harry Angelman in 1965 waren slechts enkele tientallen patiënten beschreven. Het vinden van de chromosoom 15 deletie leidde tot een plotselinge sterke aandacht ervoor. Dat was hard nodig want zelfs in dikke overzichtsboeken stonden maar hele korte stukjes over Angelman syndroom. Op wetenschappelijk gebied ging het toen snel. Verschillende onderzoekers vonden dat het uitmaakte of de deletie zat in het chromosoom afkomstig van vader of moeder, het gen voor Angelman syndroom volgde in 1997 en kort erop begrepen we dat dit gen in verschillende delen van ons lichaam verschillend functioneerde. De Engelse arts Stewart Boyd ontdekte dat bij Angelman syndroom bijzondere kenmerken op het EEG bestaan, wat herkenning van patiënten zonder een afwijking aan chromosoom 15 bevorderde.
Onze landgenote Laura Laan deed goed onderzoek naar epilepsie en hoe die te behandelen. Verschillende onderzoekers, onder wie Wiebe Braam, werkten aan de slaapproblemen en het effect van Melatonine hierop. Er kwamen muismodellen die voor allerlei doeleinden gebruikt worden. Ype Elgersma, moleculair neurobioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, ontdekte zo het verband tussen de rem op het CaM kinase eiwit en de kenmerken bij Angelman syndroom. Nog dit voorjaar publiceerde ook een onderzoeksgroep van Harvard in Boston hoe een verandering in het gen voor Angelman werkt bij de muis. Maar een muis is geen mens en dat blijkt geregeld. Als het dit keer bij de muis en de mens wel hetzelfde werkt, is dit de belangrijkste publicatie sinds de ontdekking van het gen, en kan dat allerlei nieuwe mogelijkheden geven.
Bij Prader-Willi syndroom hebben vele onderzoeksgroepen hun tanden stukgebeten om ‘het’ gen te vinden. Het duurde erg lang voor het besef ontstond dat er helemaal geen enkel ‘Prader-Willi gen’ was, maar dat het syndroom door het abnormaal functioneren van een aantal genen tegelijk verklaard moest worden. Veel, en misschien wel heel erg veel van de Prader- Willi kenmerken kunnen goed verklaard worden door een abnormaal functioneren van de hypothalamus in onze hersenen. Onze landgenoot Dick Swaab speelde een belangrijke rol in het herkennen hiervan. Rond de eeuwwisseling verschenen studies over het geven van groeihormoon en de effecten en bij-effecten ervan. Specifiek in Nederland werd door de diëtiste Jose Veen-Roelofs en de orthopedagoge Sylvia Rasenberg, uit de Hondsberg, het Stippendieet ontwikkeld. Het werkte en niet alleen bij Prader-Willi syndroom maar ook bij overgewicht bij andere vormen van een ontwikkelingsachterstand.
Voor zowel Prader-Willi- als Angelman syndroom is het belangrijk geweest dat we begin jaren 90 ons realiseerden dat er ‘behavioral phenotypes’ waren, vooral door werk van O’Brien en Yule maar ook van Paul Curfs: een syndroom heeft meestal niet alleen herkenbare lichamelijke kenmerken maar het gedrag is vaak net zo herkenbaar. Het opvallende gedrag bij beide syndromen droeg hier sterk aan bij.
Als je alle medische vorderingen zo op een rij zet lijkt het heel wat. En toch is het voor families met een kind of volwassene met PWS of AS van minder belang dan de onderlinge aandacht en zorg die tot stand is gekomen via de patiëntenvereniging. Het verschil in informatie die we in 1985 hadden en die we nu hebben is bijna niet aan te geven. We hebben nu prachtig geïllustreerde brochures met algemene informatie maar ook met aandacht voor specifieke gezondheidsproblemen en vooral ook voor de beleving, hoe het is om een kind of een broer of zus met PWS/AS te hebben, of hoe het is om het zelf te hebben. Gedrag, en hoe er mee om te gaan: het staat er allemaal in.
En er is meer. professionele films waarin alle bovengenoemde aspecten ook aan bod komen. Plus info op het internet. De sites, van de Nederlandse vereniging en ook die van 23 Prader-Willi en 12 Angelman syndroom verenigingen uit andere landen. Bij een klik op Google krijg je 165.000 hits bij Angelman- en 756.000 bij Prader-Willi syndroom! Het aantal medische artikelen verschenen tussen 1985 en 2010, opvraagbaar via Pubmed, bedraagt 1054 bij AS en 2106 bij PWS. Dan wordt de kans dat je vindt wat je zoekt behoorlijk groot.
De vereniging zorgde voor goede contacten met medici, paramedici, gedragswetenschappers, en onderzoekers, en met een aantal van hen zijn ‘e-mail consultaties’ mogelijk. Nog belangrijker zijn de ‘e-mail consultaties’ van families onderling. Je kunt zo makkelijk zo veel vragen en krijgt antwoorden van mensen met echt eigen ervaring. Zeer belangrijk zijn de familie bijeenkomsten die georganiseerd worden. Het uitwisselen van informatie en ervaringen, zien van elkaars kinderen, merken hoe anderen met een probleem omgaan dat je zelf ook hebt: dat is iets dat elektronisch niet kan maar alleen in persoonlijk contact gebeurt. Het is onbetaalbaar. Samen leuke dingen doen en genieten van de kinderen is natuurlijk net zo goed belangrijk: een kind is niet Prader-Willi of Angelman, een kind is zichzelf, en heeft een aantal kwaliteiten waarvan het syndroom er een van vele is. En misschien is dat laatste wel het allerbelangrijkste dat de PW/AS Vereniging bereikt heeft: dat we ons realiseren hoe waardevol kinderen en volwassenen met Prader- Willi- en Angelman syndroom voor andere mensen zijn.
Raoul Hennekam (Prof. dr. R.C.M. Hennekam is hoogleraar klinische genetica en kindergeneeskunde).